Hanneke wende snel in de Herbergier, kreeg veel bezoek en sloot vriendschap met enkele bewoners. Bij enkele begeleiders, haar dochter en vooral bij mij uitte ze verdriet en woede over haar nieuwe situatie. Die ze nog steeds niet snapte. Waarom was ze hier? En wat er met haar aan de hand was? Proberen uit te leggen hielp niet. Bijna elke keer als ik haar bezocht begon het met haar beklag en huilen. En waarom ik al maanden niet was langsgekomen? Terwijl ik bijna dagelijks op bezoek kwam.
Maar ook dat went. Ik was en bleef ‘die klootzak’ die nooit langskwam en haar hier had ‘opgesloten’. Meestal aan het begin van het bezoek duurde dat een halfuurtje. Daarna werd het aangenaam en puzzelden we, gingen wandelingen maken en bezoekjes afleggen. En … ergens patat eten, want dat was inmiddels haar favoriete voedsel.
Wel merkte ik haar gestage achteruitgang. Jarenlang, ook de eerste van haar dementie hadden we dagelijks gemiddeld vijfduizend stappen gelopen (ongeveer vier km). Na een paar maanden in de Herbergier kwamen we niet verder dan drieduizend. Ook haar afasie, steeds slechter formuleren, maakte het voor bezoekers moeilijker om een normaal gesprek te voeren. Ik had (en heb) het daar minder moeilijk mee. Meestal begrijp ik na een paar woorden waarover ze iets wil zeggen. Ik ken haar uiteindelijk al meer dan vijftig jaar.
En leerde ik (vaak met moeite) dat het geen zin heeft om te argumenteren of verbeteren. Eén van de boeken die ik over dementie las (Het hart wordt niet dement) hielp me om niet alleen op de inhoud van haar gestamel te antwoorden, maar vooral op de gevoelens die ‘eronder’ zaten.
Een andere les die ik leerde van de leiding van de Herbergier was: VRAGEN IS PLAGEN. Je ontkomt er niet aan in een ‘normaal’ gesprek, maar bij mensen die dementie hebben is het echt beter zo min mogelijk vragen te stellen. Bijna alle vragen die aan haar gesteld worden, confronteren haar met haar ‘domheid’, zoals ze het noemt. Als je het grootste deel van je geheugen kwijt bent, weet je echt niet meer wat je ‘vanochtend’ gedaan hebt of hoe je geslapen hebt.
Maar ook ‘ontstond’ langzamerhand een nieuwe vrouw. Een lieve, aanhankelijke vrouw, die met aandacht en veel emotie kan genieten van muziek, klassiek en modern, variërend van Bach tot André Rieux. Een vrouw die dol is op dansen, in de woonkamer met anderen of met ons op haar kamer. Een vrouw die me leert in de natuur op het kleine te letten. Of het nu bloempjes zijn of mos op boomstammen, paddestoelen of besjes. En die daar heel mooie boeketjes van maakt. En een vrouw met wie ik op de bank kan zitten knuffelen. We worden niet voor niets de ‘tortelduifjes’ genoemd.