Alle berichten door Rob van Eeden

Voddenweverij AVE

Een nogal opvallende vermelding in mijn CV luidt:

1979-86 Eigenaar/wever van weverij AVE, 250 vloerkleden, lopers en wandkleden geweven en verkocht. Cursussen en materialen ontwikkeld voor verwerking van textielafval.

Van m’n 33ste tot 40ste runde ik weverij AVE. Eerst vanuit ons huis in de Obrechtstraat 283, waar we na onze commune-periode met de kinderen waren gaan wonen. Later vestigde ik de weverij aan de Prinsegracht 38 in Den Haag. Het was een spannende, maar ook woelige periode van zeven jaar.
Erop terugkijkend, denk ik met de weverij een oude kinderdroom heb willen realiseren.
Maar uiteindelijk rekende ik ermee af en begon vanaf mijn veertigste een wat serieuzer en kansrijker carrière.

De naam AVE ontstond toen ik een proeflapje weefde tijdens een
cursus bij Tineke van Deenen in Amsterdam.
Ik wilde mijn initialen RVE weven (van textielafval),
maar het bleek AVE te zijn geworden.

Nadat ik 1977 op mijn 31ste (uiteindelijk) afstudeerde aan de EUR, kreeg ik daar snel een baan als wetenschappelijk medewerker bij vakgroep Bedrijfssociologie/kunde in een kleine vakgroep met prof. Jan Buiter, François Breuer, Cees Luscuere e.a. We gaven les aan doctoraalstudenten in avondopleiding, begeleidden hun onderzoeksprojecten en deden zelf onderzoek.

Op de dertiende etage van het EUR-gebouw met uitzicht op de Brienenoordbrug, werd me binnen een jaar duidelijk dat de wetenschap het niet was voor mij. Lesgeven ging me moeilijk af en kwam niet goed over bij de studenten. Het begeleiden van onderzoeksprojecten van studenten vond ik wél aantrekkelijk en stimulerend, maar zelf onderzoek doen stond ook snel tegen. Vooral door de toestanden waarmee je dan te maken kreeg met collega’s van andere vakgroepen, opdrachtgevers en alle bureaucratie eromheen. Daarover later misschien.

De zus van Hanneke: Marieke en haar man Gé hadden een weverij. Het Zwarte Schaap in een oude molen met aanbouw in Nederhorst den Berg. Marieke en anderen sponnen ongeverfde schapenwol en Gé weefde daar grote lappen van: dekens, lopers en kledingstof, waarvan Marieke dan weer jassen, kussens e.d. naaide.
Als we daar op de molen waren vond ik vooral dat weven van Gé interessant. Het was een oud eenvoudig tweeschachts-getouw van, als ik me goed herinner, 1,60 m breed. Hij weefde die ongeverfde wol in linnenbinding in gestreept wit, bruin, grijs en allerlei varianten. Mooie degelijke, bijna onverslijtbare stoffen.

De jaren daarvoor had ik al veel gefantaseerd, zoals zoveel gedaan werd in die tijd, om ‘iets met mijn handen’ te gaan doen in plaats van kantoorwerk. In de commune aan de Zwarteweg stond een grote broodoven. Een tijdje maakte ik plannen om daarin brood te bakken en met een bakfiets rond te brengen in Den Haag, maar echt ver kwam het daarmee niet. In de ruimte waar die oven stond vestigden we onze anti-autoritaire kresj en het idee dat ik zes dagen in de week voor dag en dauw zou moeten opstaan trok ook niet echt.

Maar dat weefgetouw van Gé bleef wel hangen. In die tijd was Hanneke vrijwilliger bij Emmaus Welvaartsresten Den Haag aan de Prinsegracht, ze bestierde daar een grote voorkamer die de ‘boetiek’ werd genoemd, met mooie spullen, kleding, maar ook schilderijen en fraaie huisraad en snuisterijen.
Op een bepaald moment vertelde ze dat er in een kelder (van dat enorme pand dat ze een paar jaar daarvoor met Simon Kamper had gekraakt) een weefgetouw stond met een onaf weefsel, waar iemand ooit aan begonnen was, maar nooit had afgemaakt, en waarvoor niemand meer belangstelling had. We vroegen of dat ding (in bruikleen) mee naar huis mochten nemen om te proberen er weefsels op de maken van textielresten die bij Emmaus natuurlijk ruim voorradig waren.

Al snel stond het mooie blankhouten Zweedse Glimåkra getouw van 1,40 meter breed in onze serre en zetten we er – met veel moeite – een korte schering op. Daarna stonden we oude gordijnen en lappen in repen te scheuren om het eerste voddenkleedje mee te weven.
In het begin deden Hanneke en ik veel samen, maar na een tijdje werd duidelijk dat ik toch wel degene was die er echt mee wilde doorgaan. De kleedjes die ik weefde (van 1,40 bij ongeveer 2,20 m) vonden gretig aftrek bij familie en kennissen die bereid waren er een paar honderd gulden voor te betalen. Zo begon het plan te rijpen om er een echt bedrijf van te maken.
(wordt vervolgd)

Daar zat ik dan, achter mijn eerste Glimåkra getouw
(met het proeflapje AVE op de achtergrond).

Na de oorlog …

Al een tijd worstel ik me door een boek van Tony Judt: Na de oorlog, een geschiedenis van Europa sinds 1945. Een dikke pil, boordenvol informatie, die niet makkelijk leesbaar is. Maar het is een fascinerend boek. Ik realiseer me dat ik heel weinig weet van de geschiedenis van mijn leven, vooral mijn jonge jaren, vanaf mijn geboorte in 1946 tot zeg … mijn zeventiende. Op school leerde je nauwelijks iets over die periode, op de lagere school al helemaal niet, maar ook niet op de middelbare scholen waarop ik zat in Nederland en Frankrijk. Geschiedenisles eindigde toch zo’n beetje kort na de tweede wereldoorlog. 

Dit boek opent een bijna nieuwe wereld, waarvan ik alleen wat trefwoorden kende. Een uitgebreide geschiedenis van de ellende in heel Europa, de wederopbouw, het begin van de Koude Oorlog, ’t schrikbewind van Stalin, Europese intellectuelen en het communisme en nog veel, veel meer. Tijdens het lezen realiseer ik me steeds dat dit allemaal gebeurde terwijl ik in de wieg lag en wat later door de kamer kroop en speelde. Wat hebben mijn ouders allemaal gedacht over berichten in de krant over de Marshall-hulp, de nieuwe idealen na de oorlog, de binnen- en buitenlandse politiek, de scheiding van Duitsland enz.

Nogmaals geen makkelijk boek, maar een aanrader voor elke babyboomer die wil weten wat er eigenlijk gebeurde toen je nog kind was. Want dat is duidelijk uit Na de oorlog: wat toen gebeurde, geschreven en gedacht werd, was allemaal een voorbode van de periode dat we zelf, eind jaren zestig,  ons wat bewuster van de wereld werden en actief probeerden daar zelf iets in te betekenen en aan te veranderen.

(wordt vervolgd)

Middelmatigheid uitgelegd …

Op mijn voormalige site middelmatigheid.nu (alle verhalen daaruit staan nu op dit blog) heb ik een tijdje mijn best gedaan uit te leggen wat ik met middelmatigheid en de waarde ervan bedoelde. Echt gelukt is dat niet.

Nu vond ik op Youtube een filmpje van The School of Life dat e.e.a. uitlegt. Zo goed kan/kon ik het niet. Wel veel informatie in korte tijd, maar m.i. een ijzersterke tekst.
Why You Don’t Need te Be Exceptional
https://www.youtube.com/watch?v=pvgfucVF5cU

De benen van tante Sidonia …

Let niet op de rare vervorming van de buizen,
in werkelijkheid lopen ze kaarsrecht, het is een panorama-foto.
Het schilderij is van Ben Koelman.

De menselijke geest is een vreemd ding. Dit is het uitzicht vanuit ons echtelijke bed. En altijd als ik naar die dikke verwarmingsbuizen kijk, zie ik daarin de benen van tante Sidonia. Die lange dunne staken, iets uiteenlopend met die grote voeten links. Het lijkt nauwelijks op de echte benen van Sidonia, maar toch moet ik er steeds aan denken.
Tijd voor intensieve therapie?

Verhalen over mijn leven – pauze –

De afgelopen twaalf ‘ verhalen over mijn leven’ gingen over ouders, voorouders en andere familie. Is daarmee alles verteld? Nee, natuurlijk niet. Er komt nog een uitgebreid verhaal over het ambulance-transport dat mijn opa deed vanuit zijn garage in Scheveningen, dat duurt nog even, het zit in de pijplijn.
Verder heb ik het idee dat het een beetje klaar is. Er zijn natuurlijk meer verhalen te vertellen over die oude tijd, maar waarom zou ik, wie is daar nog in geïnteresseerd?
De komende tijd ga ik één album (met toelichting) maken van foto’s uit die lang vervlogen tijden. Daarover is misschien nog wel iets te schrijven. Met dat album zal ik een tijdje bezig zijn, dus … even pauze.

Een verhaal over mijn leven – 12 –

Opa Van Oostrum

Uit vorige bijdragen zou de indruk kunnen zijn ontstaan dat mijn opa een sombere man was, gekweld door schuldgevoelens over zijn jong overleden zoon. Zo heb ik hem echter niet gekend. Bijna alle herinneringen aan hem zijn positief.

In 2004 werd Netwerken werkt, op weg naar de baan die je wilt gepubliceerd (waarvan inmiddels meer dan 25 drukken en 50.000 ex zijn verkocht). Een paar jaar later schreef ik nog een boekje over netwerken, maar meer in algemene zin. Daarin staat het volgende over mijn opa.

“Een half jaar na het verschijnen van Netwerken werkt organiseerde ik (begin 2005) een try-out voor een workshop over … netwerken. In de trein op weg ernaar toe kwam opeens de vraag op hoe ik aan die interesse in netwerken was gekomen. Een echte ‘netwerker’ vond (en vind) ik mezelf niet. Toch had ik er een boek over geschreven, maar waar kwam die interesse eigenlijk vandaan?
Direct kreeg ik heldere herinneringen aan mijn opa, de vader van mijn moeder. Ik had me tot dan toe nooit gerealiseerd dat hij een belangrijk voorbeeld voor me is geweest.

Lees verder Een verhaal over mijn leven – 12 –