Gedeelte van de tekst uitgesproken door echtgenoot Rob van Eeden tijdens de begrafenis van Hanneke van Veen.
Hanneke werd geboren in Den Helder, een stad waar ze zich niet heeft thuis gevoeld. Een beroemd Den Heldenaar was haar oudoom Dorus Rijkers, mensenredder van meer dan 250 personen, die hij met veel andere vrijwilligers in een roeiboot uit de kolkende zee haalde met de reddingsbrigade.
Daar komt het misschien vandaan, dat mensen redden van Hanneke, wat ze al vanaf een heel jonge leeftijd ging doen. Hanneke is een mensenredder geweest. Of het nu ging om verslaafden, psychisch gestoorden, anorexia patiënten, Papoea’s, dubbel gehandicapten, analfabete vrouwen in Nepal of stervenden, ze werkte bij al die mensen met plezier. Fluitend reed ze heen en terug. Haar motto: het kan alleen maar beter worden.
Ja, ze was een mensenredder, ook mij heeft ze gered van een vrij richtingloos figuur toen ik haar pas kende. Wie ik ben geworden heb ik voor een groot deel aan haar te danken.
En natuurlijk was er de Vrekkentijd, van 1991 af zo’n 20 jaar, zich inzetten voor de toekomst van onze planeet door te pleiten voor vrijwillige consumptie-vermindering. Die jaren waren het hoogtepunt van ons leven. Daarover is van alles te vinden in haar boeken, op haar en mijn weblog, onze Wikipedia pagina’s en ons kranten- en tijdschriftenarchief met zo’n 1.000 artikelen in binnen- en buitenland. En het Vrekkenarchief op Youtube met meer dan twintig video’s van tv-optredens.
Later werd Hanneke ook nog natuurredder, met bloemen, planten, geveltuintjes en vooral bomen planten. Vele duizenden heeft ze er laten planten met haar spaarcentjes.
Daarover wil ik het nu niet verder hebben. Binnenkort komt de biografie van haar werkend leven af. Tot haar veertigste jaar is die al op mijn blog gepubliceerd.
Waar ik het vooral over wil hebben is het laatste half jaar in verpleeghuis de Herbergier. De beste plek die we voor haar konden vinden met allemaal toegewijde verzorgers en hulpverleners. Toch heeft ze zich daar vaak ongelukkig gevoeld. Door haar gebrek aan ziekte-inzicht kon ze niet begrijpen waarom ze daar ‘opgesloten’ was. En door haar afasie kon ze steeds minder begrijpelijk praten en verstaan.
Allerlei medicatie hielp meestal niet goed. Een paar weken geleden begon zie voedsel te weigeren en de laatste dagen ook drinken. Toen de morfine en de dormicum kwamen werd ze eindelijk uit haar lijden verlost.
Toch heb ik ook in de tijd in de Herbergier veel van haar geleerd. Allereerst het dansen, bijna dagelijks dansten we in haar kamer, wekelijks op de dansochtend in de Herbergier en maandelijks in Amare, dan was ze in haar element en blij.
Ook leerde ze me observeren in de natuur, als we wandelden zag ze ieder plantje, ieder bloemetje, waar ik mijn hele leven aan voorbij gelopen was. Zij zag het, plukte het en maakte er mooie boeketjes van.
En naar muziek luisteren, vooral klassieke muziek, waar ze eigenlijk haar hele leven een hekel aan had gehad. Met haar heb ik naar Bach, Beethoven en Brahms e.v.a. geluisterd, beiden tot tranen toe geroerd. Dat waren heel intieme momenten.
Maar het fijnste was haar tederheid. Ik bezocht haar die veertien maanden in de Herbergier bijna elke dag, ook toen ze me niet meer herkende. Maar na een kwartiertje heel dicht naast elkaar begon het getortel en zaten we elkaar als een verliefd stelletje zoentjes te geven en vast te houden. Een paar dagen voor haar sterven reikte ze, liggend in bed, met haar handen naar mijn gezicht en streelde m’n wangen terwijl ze zachtjes zei: “Lief, lief, lief.”
Twee en vijftig jaar lang hebben we van elkaar gehouden, van het begin tot het eind. Dat gaat je niet in de koude kleren zitten.
Vind-ik-leuk Aan het laden...