Categorie archief: Gezondheid

Hoe nu verder? (15)

En daar ging ik dan naar de Herbergier, zenuwachting over wat er zou gaan gebeuren. De ‘wittebroodsweken’ bleken achteraf een hernieuwd afscheid te zijn geweest, net als toen Hanneke werd opgenomen.

In m’n eentje ging ik naar de kamer van Hanneke, terwijl zij nog in de woonkamer beneden was. Eerst maar gauw het tweepersoonsbed opheffen. Dat ging makkelijk met het onderschuifbed, maar terwijl ik daarmee bezig was, kwam Hanneke de kamer binnen.
Toen maar gelijk de koe bij de horens gepakt en proberen uit te leggen dat ik niet meer ‘mocht’ slapen in haar kamer. Dat had de dokter gezegd en Claudia, de directrice van de Herbergier. Door hier te slapen, zei ik, kom ik zoveel slaap te kort, dat ik er heel moe en een beetje ziek van wordt.
Zo’n beetje, met die woorden probeerde ik haar te vertellen dat ik liever ook iets anders had, maar dat het niet anders kon.

Hanneke reageerde nauwelijks op m’n verhaal, wel vond ze het erg dat ik ziek was. Of het toen echt tot haar doordrong weet ik niet. We zijn daarna overgegaan op de orde van de dag, puzzelen, koffie drinken en knuffelen. Ook de dagen erna (het is nu vijf dagen geleden) leek het er op dat Hanneke geen of nauwelijks herinnering had aan de periode van een maand dat ik bij haar ‘gewoond’ had. Wel zei ze af en toe dat we niet meer samen mochten slapen, en dat ze dat jammer vond, maar verder geen woord.
Alles ging daarna weer zoals de maanden ervoor. Meer verdriet bij het afscheid nemen, niet goed begrijpen wanneer ik weer zou komen.

Heb ik spijt van m’n besluit om bij Hanneke te gaan wonen? Nee. Even in het begin had ik de illusie helemaal bij Hanneke in te trekken en samen te blijven. Maar al snel merkte ik dat Hanneke er erger aan toe was, dan ik dacht toen ik ‘alleen’ maar bij haar op bezoek kwam. Ook met mij verbloemde ze, zoals dat bij dementie-patiënten veel voorkomt.
Door de maand bij Hanneke te wonen ben ik er achter gekomen dat ze na vijf jaar al ver gevorderd is in haar ziekteproces en dat ik niet in staat ben haar continu te verzorgen. Dat kunnen ze in de Herbergier wel, met bezoek en hand-en-spandiensten van mijn kant.

We hadden daarna een aangename Kerstviering op de 23ste in de Herbergier met een smakelijk viergangen-menu, ook voor vegetariërs, pianospel en dansen. Vanavond vieren we met (bijna ) de hele familie Kerst bij onze kleindochter Leander, die samen met haar man heel lekker kan koken. Dat wordt smullen, kletsen en dansen, ook met Hanneke.

Hoe nu verder? (14)

Ik kan niet anders zeggen zeggen dan dat ik de afgelopen maand als een soort ‘wittebroodsweken’ heb ervaren, heel dicht bij elkaar en maar tortelen. Inmiddels deed ik de adl van Hanneke (algemene dagelijkse levensverrichtingen): wassen, aan- en uitkleden, helpen gedurende de nacht bij verward opstaan en weer naar bed krijgen, helpen haar kamer en kasten op orde te houden etc. etc. Zwaar werk dat ik toch wel aankon. De leiding meldde dat het Hanneke duidelijk beter ging, rustiger en gelukkiger. Maar ook dat het jammer was dat ze minder tijd gaf aan enkele leuke relaties die ze inmiddels in huis had opgedaan. Ik had me dat niet gerealiseerd maar zag het opeens ook duidelijk. Mijn aanwezigheid remde haar integratie in de Herbergier.

Inmiddels had ik door de ‘verhuizing’ wat meer tijd om iets voor mezelf te doen overdag, waarvan dit blog er één is. Maar uiteindelijk braken de nachten me op, net als voor haar opname. De laatste drie nachten dat ik er sliep waren rampzalig, zes-zeven keer wakker worden, steeds willen aankleden, weer in bed zien te krijgen, terwijl ze bozig en verward was. De laatste nacht sliep ik nauwelijks en lag enorm te piekeren, terwijl Hanneke alweer in slaap was gevallen.

Tot mijn grote spijt ben ik tot de conclusie gekomen het niet meer aan te kunnen. Mijn bloeddruk stijgt, jarenlang sluimerende eczeem op armen en benen speelt erg op en geeft pijnlijke brandende gevoelens. Net bij de huisarts geweest die zegt: je MOET rust nemen. Jouw gezondheidssituatie (hoge bloeddruk, herseninfarct, darmontsteking en alle medicatie van dien) vergt een goede ononderbroken nachtrust en nog een uur slapen overdag. En daar vertrok ik met loden schoenen en schaamte naar de Herbergier om Hanneke dit te vertellen. Ik kan er echt geen nacht meer langer slapen. Hoe zal ze reageren?

Hoe nu verder? (12)

Langzaam maar zeker begon door te dringen dat ik de hoofdverantwoordelijke ben (en zal blijven) voor de verzorging van Hanneke. Ik kon wel een hoop uitbesteden, maar voor het geheel bleef ik verantwoordelijk.
Hoe bracht ze haar dagen en nachten eigenlijk door en voelde ze zich daarbij? Door Zilliz (berichtenservice aan familie van patiënten) kreeg ik dagelijks driemaal ‘verslag’ van Hanneke’s bezigheden, stemming, eetgedrag etc. Maar waren er echt ‘geen bijzonderheden’ als het bericht daaruit bestond, zoals vaak?

Wat me al snel duidelijk was, dat de vroege ochtenden meestal naar voor haar waren. Hanneke is meestal rond 6 uur wakker en er helpt dan iemand bij wassen, tandenpoetsen en aankleden. Maar pas om 8 uur is het ontbijt in de ‘woonkamer’. Die twee uur weet ze niet goed wat te doen, maakt de hele kamer schoon met haar stoffer en blik, ruimt op en verzorgt haar planten en boeketten. Toch is ze een groot deel van die tijd verdrietig en zo tref ik haar tegen 10 uur aan.

Overdag zijn de dagen eigenlijk redelijk gevuld met bezoek, dagactiviteiten en maaltijden. De avonden zijn vaak ook problematisch, geen bezoek, soms wel iets in de woonkamer, maar meestal voelt ze zich eenzaam en verdrietig.
Slapen, daarna, om een uur of 9-10, gaat wel goed. Hoe ze dat ik de Herbergier hebben voor elkaar gekregen, snap ik niet. Ze hadden haar slaap ‘gereset’ (zonder medicatie).

Dus: de vroege ochtenden en avonden zijn voor Hanneke vaak niet voldoende ‘verzorgd’. Want dat is het gekke bij haar dementie. Bij de meeste ziekten is er een ‘behandeling’, medicatie en allerlei therapie. Maar wat is nu eigenlijk het ‘medicijn’ dat Hanneke nodig heeft om zich zo goed mogelijk te voelen? Dat is: persoonlijke aandacht. Door haar ziekte heeft Hanneke nauwelijks nog eigen initiatief. Wel af en toe met haar planten, maar verder niet veel. Haar gebrek aan ziekte-inzicht helpt daarbij natuurlijk ook niet.
Conclusie: hoe pakken we die ochtenden en avonden aan?

Toen me dat duidelijk werd, kreeg ik een ‘briljant’ idee. Ik moest bij haar gaan wonen. Ik schrok er zelf van. Bij je partner wonen in een verpleeghuis? Een revolutionair idee? Gelukkig hebben we nu Gemini, de AI van Google. Die vertelde al snel dat dit allang bestaat. Niet in de reguliere verpleeghuizen, daar doen ze het niet. Maar wel in particuliere instellingen, zoals de Herbergier. Ik had dat bij de kennismaking ook gevraagd, maar het werd afgeraden, zeker de eerste maanden. De nieuwe bewoner moet eerst kunnen wennen aan haar nieuwe situatie.

Hoe nu verder? (11)

Toen ik – na het douche-avontuur- thuis e.e.a. zat te overdenken, drong door dat ik nu een betere taakomschrijving had dan dagelijks bij Hanneke langsgaan en iets leuks doen. Mijn taak is nu om, samen met de Herbergier, dagelijks een leuk programma voor haar te verzorgen. Regelen dat ze overdag iets aardigs te doen heeft of meemaakt. Over de nachten en maaltijden hoef ik me geen zorgen te maken.
En voor overdag heeft de Herbergier gelukkig veel waaraan Hanneke graag meedoet. Maar echt een aaneengesloten programma kunnen ze natuurlijk niet bieden. De gaten in het dagprogramma vul ik op. Het zal niet altijd lukken meer meestal wel.

Het lijkt misschien wat onbenullig wat ik schrijf. Maar m’n nieuwe ‘taakomschrijving’ betekent veel. Omdat het onze jarenlange relatie bevestigt. De eerste jaren van onze relatie heb ik Hanneke tientallen malen ten huwelijk gevraagd, maar steeds was haar reactie: “Ik ben al getrouwd geweest, één keer was wel genoeg.” Het heeft me heel wat jaren met therapie, boeken lezen en er met een vriend over praten gekost, voor ik erachter was, wat ze daar nou eigenlijk mee bedoelde: ik moest me als een ‘goede man’ gaan gedragen en dat deed ik toen nog niet (helemaal).
De zin die Hanneke uiteindelijk over de streep trok was toen ik zei: ik zal altijd voor je zorgen, wat er ook gebeurt, tot de dood ons scheidt. Geen ‘bully’ meer en geen ‘whimp’, zoals mijn toenmalige therapeut zei, maar een echte man, zelfstandig, sterk en vooral zorgzaam. 

Vijfendertig jaar na onze huwelijkssluiting (met een bomenfeest) voel ik me nu weer 100% verantwoordelijk voor de verzorging die ze – door die afschuwelijke ziekte – dagelijks nodig heeft. Hanneke is de oude Hanneke niet meer, maar ik houd van de nieuwe en doe dagelijks mijn best haar leven zo aangenaam mogelijk te maken en haar zo veel mogelijk zelfvertrouwen te geven.
Toen Hanneke opgenomen werd heb ik een kort tijdje gedacht dat ik er nu ‘vanaf’ was. Maar dat bleek al snel helemaal niet zo, ook omdat ik haar – wie ze ook geworden was – vaak gewoon miste. Samen op de bank zitten, hand in hand, knuffelen, samen wandelen en bloemen plukken, samen puzzelen en met familie en vrienden zijn. Daar wordt niet alleen zij, maar ik ook gelukkiger van.
Er is weer continuïteit in onze relatie, voortgang!

Is dit een kreet van wanhoop? Probeer ik mezelf te overtuigen dat ‘alles’ goed gaat? Tegelijkertijd komt wat ik doe onbenullig over, het heeft allemaal zo weinig zin. Ondanks alle mooie gepraat voel ik me soms hopeloos. Oud en onzeker. Ziek.
Ik teer op mijn oude kracht, m’n improvisatievermogen, maar wankel eigenlijk door het leven. Ondanks alle mooie praatjes, die wel kloppen, maar toch niet vertellen wat er met mij aan de hand is. Ik overschreeuw mezelf. Al die gedachten, ik word er niet gek van, maar wanneer houdt het op? 

Hoe nu verder? (4)

We kregen een ‘case-manager’ die ondersteuning kon bieden en regelen bij de (mantel)zorg. Zij hielp direct in het eerste gesprek door te adviseren een ‘levenstestament’ op te stellen, voor het geval Hanneke niet meer in staat zou zijn over financiën, gezondheid en andere zaken te oordelen en te handelen. Dat was toen al grotendeels het geval.
Voor dat advies ben ik dankbaar, het levenscontract (dat we nog net op tijd bij de notaris konden laten opstellen) heeft ervoor gezorgd dat ik nu gemachtigd ben om Hanneke’s zaken te regelen. Zoals het aanvragen van een pgb, waar ik overigens een griezelverhaal over zou kunnen schrijven (en niet doe). De afspraak was dat de case-manager maandelijks bij ons zou langskomen.

Maar zo eenvoudig bleek dat niet. Hannekes gebrek aan ziekte-inzicht leverde bij het eerste gesprek een hevige crisis op. Wat kwam ‘dat wijf’ (taalgebruik dat ik van Hanneke niet kende) hier doen? Uitleggen hielp niet. Alzheimer? Dat was allemaal kletskoek, dat hadden ‘wij’ (de kinderen en ik) allemaal ‘achter haar rug om’ geregeld. Ze wilde de case-manager niet meer zien, zoveel werd duidelijk.
Op haar voorstel zou de case-manager de volgende keer ‘op de bonnefooi’ komen als ik er niet was (ik lag zogenaamd te slapen op het afgesproken moment). Maar ook dat ging niet. Hanneke werd razend en werkte de verbijsterde dame binnen korte tijd het huis uit. Toen is maar afgesproken dat ik maandelijks een verslag zou sturen en op kantoor langskomen. 

Uit het eerste van die verslagen.

maart 2023

“Hanneke gaat achteruit, net als de maanden ervoor. Ze ziet me aan voor haar broer en weet niet meer dat we getrouwd zijn. Door naar onze trouwfoto’s te kijken, kwam weer het besef van Alzheimer boven met de nodige toestanden (verdriet, slaapprobleem, woede). Na een paar dagen ging het wel weer, maar toen was ze het huwelijk weer vergeten. En zo tobben we door, van de ene crisis naar de andere. Tussendoor ook nog goede dingen zoals wandelen, puzzelen, bezoek van en aan vrienden en familie.

Vooral voor mij is het zwaar. Af en toe ben ik ten einde raad. Veel met vrienden en familie hierover gepraat en daarna zijn er gelukkig afspraken gemaakt om ‘op Hanneke te passen’ zodat ik even weg kan uit dit verpleeghuisje met 24/7 service door één mantelzorger, de zwaarste baan die ik ooit heb gehad.”

Hoe nu verder? (3)

Vanaf de eerste signalen van haar ziekte duurde het nog een paar jaar voordat – na onderzoek en testen – definitief werd vastgesteld dat het om de ziekte van Alzheimer ging. Dat werd gedaan door een arts/geriater bij PsyQ, een grote psychiatrische instelling in Den Haag. Hanneke en ik woonden ‘gewoon’ thuis. Steeds meer werd duidelijk dat ze veel vergat, en grotendeels niet meer in staat was zelfstandig te functioneren. Afgezien van een aantal taken en bezigheden in en om huis, had ze dag en nacht steeds meer begeleiding nodig.Dat was flink wennen, te meer omdat Hanneke – zoals dat heet – geen ziekte-inzicht had, zich absoluut niet ziek voelde en ook niets wilde horen over de ziekte van Alzheimer die ze ‘immers helemaal niet had’. Wat tot heftige crises leidde, omdat ik daar nog helemaal niet mee kon omgaan. Ik heb hier eerder over geschreven op dit blog.

Toch mocht ik me gelukkig prijzen volgens de geriater die de diagnose had gesteld, omdat Hanneke een zachtaardig en zorgzaam karakter had. Andere Alzheimer patiënten konden kwaadaardiger en agressiever worden of andere nare karakterveranderingen krijgen. Dat leek hem bij Hanneke onwaarschijnlijk.
Dat ik me ‘gelukkig’ mocht prijzen ging er op dat moment niet in. Ik was woedend.Ook met onze huisarts had ik in het begin contact. Bij haar kon ik af en toe mijn verhaal kwijt en ze gaf me aandacht en goede raad. Op een dag zei ze: “Je gaat een periode tegemoet, waarin je nog veel moet leren.” Woedend was ik daarover. Ik, nu nog leren? Op m’n 75ste?

Bij een cursus ‘mantelzorgen voor Alzheimerpatiënten’ die door PsyQ werd gegeven,  maakte ik kort daarna kennis met acht ‘collega’ mantelzorgers. Toen werd duidelijk waarom ik me gelukkig mocht prijzen. Schrikbarend waren sommige verhalen over het (wan)gedrag van andere Alzheimerpatiënten. Het was goed om die cursus te volgen. In korte tijd leerde ik veel over Alzheimer en hoe je met die patiënten kon omgaan om ze zoveel mogelijk een aangenaam leven te bieden en te helpen om zoveel mogelijk zelfvertrouwen te behouden. En dat ik ‘nog veel moest leren’, wat de huisarts zei? Nu, een paar jaar later, weet ik hoe ontzettend gelijk zij had. 

Hoe nu verder? (2)

Het is nu vijf jaar geleden dat duidelijk werd dat er iets ernstigs met Hanneke aan de hand was. Dat bleek het eerst toen ze niet meer kon internetbankieren. Serieuze pogingen om haar te helpen liepen op niets uit. Ik werd boos en gefrustreerd en vroeg twee goede vrienden het te proberen. Ook dat lukte niet.

De vrede werd uiteindelijk gesloten toen ik voorstelde voortaan haar bankzaken te doen. Daarna ging ze steeds minder achter haar laptop zitten om te mailen en te schrijven, wat ze tientallen jaren dagelijks vele uren had gedaan. Er waren in die tijd twee personen die zeiden dat dit het begin van Alzheimer zou kunnen zijn. Echt tot me laten doordringen liet ik dat niet.

Nu kan ik  – zonder te overdrijven – zeggen dat de vijf afgelopen jaren de zwaarste en uitdagendste periode van mijn leven zijn geweest. Trouwen, kinderen krijgen en opvoeden was ook een hele toer, maar valt toch in het niet bij de verzorging van mijn geliefde die Alzheimer heeft. Vaak heb ik verzucht dat – als ik de energie zou hebben – hierover een aangrijpend en interessant boek te schijven was. Maar die energie had ik bij lange na niet. Na meer dan vier jaar samen in één huis was ik volkomen uitgeput en zou er waarschijnlijk aan onderdoor zijn gegaan, als ik niet enorm gesteund was door familie en vrienden. Nu woont Hanneke een half jaar in het beste verpleeghuis dat we konden vinden en kom ik weer een beetje tot mezelf.

Hanneke en ik hadden een spannend leven de afgelopen 51 jaar. Ook daarover zou een boek te schrijven zijn. Met als trefwoorden: onze jeugd, anti-autoritaire kresj, scheidingen, communes, werken bij organisaties op het gebied van seksualiteit, milieu, hergebruik, verslaving, therapie, spaarzaamheid, klimaat en groen. Maar ook dat boek zit er – wat mij betreft – niet in.

Toch wil ik weer schrijven. Nu pas echt tot me is doorgedrongen dat ik maar een beperkt aantal jaren te leven heb. En ook maar een paar jaar met Hanneke. Het klinkt allemaal dramatisch, maar het is gewoon zo! Overdrijven doen wij Van Eedens niet, zoals mijn zus eens zei, exagereren, dát wel.

Remtrappers … grrr!!!

Vroeger heb ik er nooit op gelet, maar nu – ruim boven de zeventig – erger ik me aan remtrappers bij stoplichten en in files. Drie felle lampen die recht in je ogen schijnen, ik kan er niet goed tegen. Ik weet dat het wettelijk verplicht is om felle remlichten te hebben, maar waarom op die rem blijven trappen voor een stoplicht op een vlakke straat of weg?
Het is echt niet nodig, zelfs op een helling is het net zo makkelijk om even de handrem te gebruiken of de P-knop bij een automaat. Maar helaas, zo is het niet. De meeste automobilisten zijn remtrappers.

En dan heb ik het nog niet eens over de milieuschade. Ik ga het niet uitrekenen, maar als al die remtrappers zouden stoppen met hun achteloze gedrag zou er misschien een hele of halve olieraffinaderij of kolencentrale gesloten kunnen worden.
Maar ik vrees een roepende in de (asfalt)woestijn te blijven.

Daar staan ze weer: remtrappers … grrr!!!

OBESITAS en Corona … dodelijke combinatie

Als mijn echtgenoot niet kan slapen luistert hij soms (met een oortje) naar de radio, voornamelijk BBC World Service. Geregeld doet hij dan de volgende ochtend verslag van een of ander interessant onderwerp. De laatste tijd vooral over Trump, verantwoordelijke voor ernstige en discutabele toestanden in de USA.

Maar dit keer ging het over Engeland waar maar liefst 66% van de bevolking lijdt aan overgewicht en de helft daarvan aan obesitas*.  Rob luisterde naar The Food Chain waarin een interview met Jacqueline Bowman-Busato van de European Association for the Study of Obesity.
Ze vertelt hoe eigen ervaring met obesitas haar ertoe heeft gebracht te lobbyen voor een radicale verandering van de manier waarop ermee wordt omgegaan. Juist nu, na maanden ervaring met Corona, is duidelijk dat obesitas een ernstige ziekte is, een verwaarloosd en verkeerd begrepen volksgezondheidsprobleem.

Corona door obesitas nog dodelijker
Uit wereldwijd onderzoek blijkt inmiddels dat mensen die lijden aan obesitas veel ernstiger gevolgen ondervinden van het Corona-virus dan anderen van dezelfde leeftijd. De kans op IC-opname is tweemaal zo groot en de sterftekans 50% hoger. Dat komt o.a. doordat mensen met obesitas vaak een slechtere longfunctie hebben en verminderde weerstand tegen infecties.

Jacqueline Bowman-Busato strijdt al jaren voor een andere kijk op overgewicht en obesitas. Vaak worden die alleen als een levensstijl-probleem gezien: als je dikker bent, is dat gewoon je eigen keuze en als je er wat aan wilt doen is de oplossing eenvoudig: meer bewegen plus minder en gezonder eten. Maar zo eenvoudig is het niet. Obesitas heeft te maken met onderliggende lichamelijke factoren die niet zo eenvoudig te beïnvloeden zijn. Daarbij komt dat onze dagelijkse leefomgeving, winkels, reclame en marketing ons steeds meer lijken te verleiden tot het eten van ongezond ultra-bewerkt voedsel met teveel vet, zout en suiker.
Van roken weten we inmiddels dat het een zware verslaving is met ernstige gevolgen, waaronder longkanker en vroegtijdige dood. Door voorlichting, hoge belasting op tabak, wetgeving en de rol die gezondheidsorganisaties speelden (en spelen) is het percentage rokers in westerse landen enorm teruggebracht tot minder dan een kwart van de bevolking.

De switch van Boris
Overgewicht en obesitas krijgen nog steeds te weinig aandacht in het medische circuit en overheidsbeleid. Nu lijkt dat – door de Corona-crisis – eindelijk te gaan veranderen.
Goed voorbeeld daarvan is wat in Engeland gebeurde met Boris Johnson. Toen daar een eerste suikertaks werd ingevoerd, werd hij daarvan groot tegenstander en noemde het de Nanny-tax: de overheid is geen kindermeisje van de bevolking. Of je nu dit of dat eet is je eigen keuze en of je lichter of zwaarder bent kan je zelf met een beetje wilskracht beïnvloeden, daar is geen betuttelende overheid voor nodig.

Maar zo eenvoudig bleek dat niet. Boris kreeg Corona, ging naar het ziekenhuis, kwam op de IC terecht en er werd gevreesd voor zijn leven. Wat er precies in het ziekenhuis is gebeurd weten we niet. Wel vertelt hij nu in op sociale media verspreide videoboodschappen eerlijk dat hij veel te dik (BMI boven de 30) was en daar extra veel last van kreeg op de Intensive Care. Na ‘zijn’ Corona is hij heel anders over obesitas gaan denken. Hij pleit nu voor nationale programma’s om gewichtverlies te bevorderen, niet alleen voor individuele bewoners van Engeland, maar ook om de National Health Service te ontlasten. En – last but not least – ter bevordering van de economie, omdat de schade door obesitas enorm is door lagere arbeidsproductiviteit en ziekteverzuim.

Europa ook door de bocht
Obesitas is een ernstige (niet besmettelijke) ziekte, die meer onderzoek vereist en uitgebreide behandeling, niet alleen op korte, maar vooral op lange termijn. Daarbij moet duidelijk worden dat we onszelf (en helemaal onze kinderen) minder moeten laten blootstellen aan alles wat de industrie ons voorschotelt. Met alcohol en tabak zijn we al een stuk verder, nu nog overgewicht en obesitas.

Er is in Europese landen eindelijk wat meer aandacht voor overgewicht en obesitas, nu duidelijk is dat het een verergerende invloed heeft op Corona. De Europese Commissie heeft recent over e.e.a. uitgebreide stukken gepresenteerd. Merkel en Macron hebben – dit keer eensgezind met Johnson – aangekondigd obesitas veel prominenter op de agenda te zetten, juist door de dodelijke effecten ervan bij Corona.

Hanneke van Veen & Rob van Eeden

  • Van overgewicht is sprake bij een BMI (Body Mass Index) tussen de 25 en 30, boven de 30 heb je obesitas. Goede informatie hierover is te vinden op de site van het Voedingscentrum. Let op: voor mensen boven de 70 gelden iets andere waarden.

Deel dit: