Categorie archief: Ouderdom

Hoe nu verder? (16)


Hier sluit ik het verhaal af. Hanneke blijft in de Herbergier wonen, waar familie en vrienden haar bezoeken. Ook de laatste dagen zie ik haar achteruitgang, niet meer weten waar de wc is, hoe de veiligheidsriem in de auto werkt, een lichtknopje niet meer vinden, mij niet meer echt herkennen. Zo zal het doorgaan tot het bittere eind. Dat is Alzheimer.

Daarover een verslag schrijven? Dat wil ik niet, zo is het wel genoeg. Wel wil ik verder gaan met het schrijven aan Hanneke’s biografie, vooral over al het werk dat ze gedurende haar leven heeft gedaan.

Toen Hanneke nog ‘goed’ was, vroeg ze zich vaak af of ze niet meer had kunnen/moeten doen, meer had kunnen bijdragen. Mijn verzekeringen dat ik in mijn 25 jarige praktijk als loopbaanbegeleider zelden iemand met zo’n imposant CV was tegengekomen, hielpen niet echt. Ook niet dat ze een eigen Wikipediapagina heeft.

Haar dat nu – met wat voor schrijfsel dan ook – duidelijk maken kan niet meer, maar anderen hoop ik wel te laten zien wat voor werk ze allemaal heeft gedaan en wat voor bijzonder persoon ze is geweest.

Hoe nu verder? (14)

Ik kan niet anders zeggen zeggen dan dat ik de afgelopen maand als een soort ‘wittebroodsweken’ heb ervaren, heel dicht bij elkaar en maar tortelen. Inmiddels deed ik de adl van Hanneke (algemene dagelijkse levensverrichtingen): wassen, aan- en uitkleden, helpen gedurende de nacht bij verward opstaan en weer naar bed krijgen, helpen haar kamer en kasten op orde te houden etc. etc. Zwaar werk dat ik toch wel aankon. De leiding meldde dat het Hanneke duidelijk beter ging, rustiger en gelukkiger. Maar ook dat het jammer was dat ze minder tijd gaf aan enkele leuke relaties die ze inmiddels in huis had opgedaan. Ik had me dat niet gerealiseerd maar zag het opeens ook duidelijk. Mijn aanwezigheid remde haar integratie in de Herbergier.

Inmiddels had ik door de ‘verhuizing’ wat meer tijd om iets voor mezelf te doen overdag, waarvan dit blog er één is. Maar uiteindelijk braken de nachten me op, net als voor haar opname. De laatste drie nachten dat ik er sliep waren rampzalig, zes-zeven keer wakker worden, steeds willen aankleden, weer in bed zien te krijgen, terwijl ze bozig en verward was. De laatste nacht sliep ik nauwelijks en lag enorm te piekeren, terwijl Hanneke alweer in slaap was gevallen.

Tot mijn grote spijt ben ik tot de conclusie gekomen het niet meer aan te kunnen. Mijn bloeddruk stijgt, jarenlang sluimerende eczeem op armen en benen speelt erg op en geeft pijnlijke brandende gevoelens. Net bij de huisarts geweest die zegt: je MOET rust nemen. Jouw gezondheidssituatie (hoge bloeddruk, herseninfarct, darmontsteking en alle medicatie van dien) vergt een goede ononderbroken nachtrust en nog een uur slapen overdag. En daar vertrok ik met loden schoenen en schaamte naar de Herbergier om Hanneke dit te vertellen. Ik kan er echt geen nacht meer langer slapen. Hoe zal ze reageren?

Hoe nu verder? (12)

Langzaam maar zeker begon door te dringen dat ik de hoofdverantwoordelijke ben (en zal blijven) voor de verzorging van Hanneke. Ik kon wel een hoop uitbesteden, maar voor het geheel bleef ik verantwoordelijk.
Hoe bracht ze haar dagen en nachten eigenlijk door en voelde ze zich daarbij? Door Zilliz (berichtenservice aan familie van patiënten) kreeg ik dagelijks driemaal ‘verslag’ van Hanneke’s bezigheden, stemming, eetgedrag etc. Maar waren er echt ‘geen bijzonderheden’ als het bericht daaruit bestond, zoals vaak?

Wat me al snel duidelijk was, dat de vroege ochtenden meestal naar voor haar waren. Hanneke is meestal rond 6 uur wakker en er helpt dan iemand bij wassen, tandenpoetsen en aankleden. Maar pas om 8 uur is het ontbijt in de ‘woonkamer’. Die twee uur weet ze niet goed wat te doen, maakt de hele kamer schoon met haar stoffer en blik, ruimt op en verzorgt haar planten en boeketten. Toch is ze een groot deel van die tijd verdrietig en zo tref ik haar tegen 10 uur aan.

Overdag zijn de dagen eigenlijk redelijk gevuld met bezoek, dagactiviteiten en maaltijden. De avonden zijn vaak ook problematisch, geen bezoek, soms wel iets in de woonkamer, maar meestal voelt ze zich eenzaam en verdrietig.
Slapen, daarna, om een uur of 9-10, gaat wel goed. Hoe ze dat ik de Herbergier hebben voor elkaar gekregen, snap ik niet. Ze hadden haar slaap ‘gereset’ (zonder medicatie).

Dus: de vroege ochtenden en avonden zijn voor Hanneke vaak niet voldoende ‘verzorgd’. Want dat is het gekke bij haar dementie. Bij de meeste ziekten is er een ‘behandeling’, medicatie en allerlei therapie. Maar wat is nu eigenlijk het ‘medicijn’ dat Hanneke nodig heeft om zich zo goed mogelijk te voelen? Dat is: persoonlijke aandacht. Door haar ziekte heeft Hanneke nauwelijks nog eigen initiatief. Wel af en toe met haar planten, maar verder niet veel. Haar gebrek aan ziekte-inzicht helpt daarbij natuurlijk ook niet.
Conclusie: hoe pakken we die ochtenden en avonden aan?

Toen me dat duidelijk werd, kreeg ik een ‘briljant’ idee. Ik moest bij haar gaan wonen. Ik schrok er zelf van. Bij je partner wonen in een verpleeghuis? Een revolutionair idee? Gelukkig hebben we nu Gemini, de AI van Google. Die vertelde al snel dat dit allang bestaat. Niet in de reguliere verpleeghuizen, daar doen ze het niet. Maar wel in particuliere instellingen, zoals de Herbergier. Ik had dat bij de kennismaking ook gevraagd, maar het werd afgeraden, zeker de eerste maanden. De nieuwe bewoner moet eerst kunnen wennen aan haar nieuwe situatie.

Hoe nu verder? (11)

Toen ik – na het douche-avontuur- thuis e.e.a. zat te overdenken, drong door dat ik nu een betere taakomschrijving had dan dagelijks bij Hanneke langsgaan en iets leuks doen. Mijn taak is nu om, samen met de Herbergier, dagelijks een leuk programma voor haar te verzorgen. Regelen dat ze overdag iets aardigs te doen heeft of meemaakt. Over de nachten en maaltijden hoef ik me geen zorgen te maken.
En voor overdag heeft de Herbergier gelukkig veel waaraan Hanneke graag meedoet. Maar echt een aaneengesloten programma kunnen ze natuurlijk niet bieden. De gaten in het dagprogramma vul ik op. Het zal niet altijd lukken meer meestal wel.

Het lijkt misschien wat onbenullig wat ik schrijf. Maar m’n nieuwe ‘taakomschrijving’ betekent veel. Omdat het onze jarenlange relatie bevestigt. De eerste jaren van onze relatie heb ik Hanneke tientallen malen ten huwelijk gevraagd, maar steeds was haar reactie: “Ik ben al getrouwd geweest, één keer was wel genoeg.” Het heeft me heel wat jaren met therapie, boeken lezen en er met een vriend over praten gekost, voor ik erachter was, wat ze daar nou eigenlijk mee bedoelde: ik moest me als een ‘goede man’ gaan gedragen en dat deed ik toen nog niet (helemaal).
De zin die Hanneke uiteindelijk over de streep trok was toen ik zei: ik zal altijd voor je zorgen, wat er ook gebeurt, tot de dood ons scheidt. Geen ‘bully’ meer en geen ‘whimp’, zoals mijn toenmalige therapeut zei, maar een echte man, zelfstandig, sterk en vooral zorgzaam. 

Vijfendertig jaar na onze huwelijkssluiting (met een bomenfeest) voel ik me nu weer 100% verantwoordelijk voor de verzorging die ze – door die afschuwelijke ziekte – dagelijks nodig heeft. Hanneke is de oude Hanneke niet meer, maar ik houd van de nieuwe en doe dagelijks mijn best haar leven zo aangenaam mogelijk te maken en haar zo veel mogelijk zelfvertrouwen te geven.
Toen Hanneke opgenomen werd heb ik een kort tijdje gedacht dat ik er nu ‘vanaf’ was. Maar dat bleek al snel helemaal niet zo, ook omdat ik haar – wie ze ook geworden was – vaak gewoon miste. Samen op de bank zitten, hand in hand, knuffelen, samen wandelen en bloemen plukken, samen puzzelen en met familie en vrienden zijn. Daar wordt niet alleen zij, maar ik ook gelukkiger van.
Er is weer continuïteit in onze relatie, voortgang!

Is dit een kreet van wanhoop? Probeer ik mezelf te overtuigen dat ‘alles’ goed gaat? Tegelijkertijd komt wat ik doe onbenullig over, het heeft allemaal zo weinig zin. Ondanks alle mooie gepraat voel ik me soms hopeloos. Oud en onzeker. Ziek.
Ik teer op mijn oude kracht, m’n improvisatievermogen, maar wankel eigenlijk door het leven. Ondanks alle mooie praatjes, die wel kloppen, maar toch niet vertellen wat er met mij aan de hand is. Ik overschreeuw mezelf. Al die gedachten, ik word er niet gek van, maar wanneer houdt het op? 

Hoe nu verder? (10)

Een goede vriendin (83), komt geregeld bij me langs. Laatst zei ze: “Ik heb een baan.” Ik viel stijl achterover. Ze is een sterke, vitale vrouw, maar toch. Hoe heb je dat nou voor elkaar gekregen? vroeg ik. “Nou, eigenlijk zat ik me nogal vaak te vervelen sinds mijn man vorig jaar overleed. Toen heb ik gebeld met mijn oude werk, een taal-opleiding en ze wilden me direct hebben. Ik geef nu half-time les en het bevalt prima.” 83!!!

Naderhand zat ik hierover na te denken, een half time baan? Eigenlijk heb ik die ook.  Ik ga – sinds Hanneke’s opname in de Herbergier bijna elke dag naar haar toe. Elke dag ongeveer twee uur x zeven is bijna een halve baan. Zeker als je optelt wat ik verder nog doe: lippenstift/inlegkruisjes kopen, legpuzzels, koffie en koekjes, paspoort vernieuwen etc. etc.
Het gekke is dat dat besef van een ‘baan’ me geholpen heeft. En dat ik dat ‘werk’ af en toe niet leuk vind? Nou, toen ik banen had ging ik ook soms met tegenzin, maar ziek melden was er maar zelden bij. Gek genoeg voelde dat besef als een stap vooruit en gaf het me meer voldoening dan ‘elke dag naar Hanneke gaan’. Maar daar bleef het niet bij.

Al eigenlijk sinds Hanneke is opgenomen, heeft ze grote moeite met gedoucht worden. Ze was daar nooit een grote fan van, hield meer van ‘kattenwasjes’. Dat douchen moet in de Herbergier minstens eenmaal per week, maar het levert haar meestal meer dan een dag ellende en verdriet op. Ze ervaart dat douchen als aanranding of erger nog. Het zijn waarschijnlijk wanen, ze denkt dat ze in een zwart gat wordt gegooid, zegt dat ze allemaal blauwe plekken heeft etc. Ik kan haar meestal wel – na een uur huilen en klagen – rustig krijgen, maar de volgende dag begon het weer.

Ergens half november 2024 lukte het de staf helemaal niet meer haar onder de douche te krijgen. Ze was begonnen te dreigen en vechten en wilde de politie bellen. Ik heb toen voorgesteld dat ik het een keer zou proberen. Ook thuis was het al moeizaam, maar met een mix van strengheid en liefde lukte het toen altijd wel zo’n beetje.
Nou, daar stond ik dan, maandagochtend om 8:15 u. Ik zei dat we samen lekker zouden gaan douchen, allebei helemaal bloot en dat ik haar heel lief en zacht zou gaan wassen, ook haar haar, het ergste! En dat ze niet bang hoefde zijn, dat ik geen pijn zou doen.

En … het ging fantastisch, ook voor mij. Daar stonden we met onze oude lijven dicht tegen elkaar en daarna onder de douche, rustig en voorzichtig als ze het eng of pijnlijk vond. De tranen springen in m’n ogen nu ik dit schrijf, het was gewoon fijn. Afgedroogd, geföhnd, aangekleed en daarna samen ontbeten.
In de app die driemaal daags vertelt hoe het haar vergaat, las ik: “Mw is gedoucht met dank aan Rob! Mw is positief gestemd gehele dag.”

Nu doen we het elke maandag.

Hoe nu verder? (7)

Eind 2023 was ik zo’n beetje aan het einde van m’n latijn. Steeds vaker reageerde ik ‘fout’ op Hanneke. Eigenlijk wilde het liefst ‘vluchten’.
De kinderen regelden dat ik vier dagen ‘er even helemaal tussenuit’ kon naar mijn zus Manja in Marseille. We hadden elkaar vier jaar niet gezien, ook door de Corona-ellende. Barbara en Michaël zouden op Hanneke ‘passen’ terwijl ik weg was.
Aangekomen in Marseille, ging ik – nadat we een paar uur hadden bijgepraat – om 9 uur naar bed. En sliep onafgebroken … veertien uur, evenals de erop volgende nachten. Zoiets was me nog nooit overkomen. Toen begon pas goed tot me door te dringen dat het zo niet meer kon doorgaan met Hanneke en mij. Vooral de liefdevolle en bezorgde opvang in Marseille maakten me duidelijk dat er iets drastisch moest veranderen. Maar hoe? Met die lange wachttijden.

Barbara en ik besloten op zoek te gaan naar verpleeghuizen. Eén tip die we kregen was: de Herbergier. Eind januari konden we daar terecht voor een afspraak. De eerste keer nog zonder Hanneke, omdat we dachten dat dat bij haar een flinke crisis zou opleveren. Ik vroeg me wel af hoe dat zou gaan bij een opname. Hanneke moest echt zo ongeveer de hele dag bezig gehouden worden (voorlezen, puzzelen, wandelen, bezoekjes, tv kijken). Kan een verpleeghuis zoiets bieden?

Het was een aangename kennismaking met het echtpaar dat de Haagse Herbergier al tien jaar runt. Het is een particuliere niet gesloten instelling voor achttien bewoners ‘met geheugenproblemen’ zoals dat daar genoemd wordt. Het werd ons duidelijk dat er veel dagbesteding wordt geboden. Ook ’s nachts is er wakend personeel.
Er wordt in de Herbergier geen wachtlijst gehanteerd. Je kan je wel inschrijven voor opname. Als er een appartement vrijkomt, wordt er gekeken naar de situatie van de ingeschrevenen op dat moment. Op basis daarvan wordt bepaald wie er kan komen wonen. En … het is echt wonen. Ieder heeft een appartement van ongeveer zestig m2 met woon- en slaapkamer en eigen badkamer/toilet.

Hoe nu verder? (6)

De laatste maanden van 2023 bleef de situatie met Hanneke achteruitgaan. Hanneke ‘moest’ steeds meer begeleid worden bij haar dagelijkse bezigheden. Van enig eigen eigen initiatief was nauwelijks meer sprake. Alleen werken in de voor- en achtertuin ging nog wel zelfstandig. Maar waarom al die blaadjes opeens van de bomen vielen en de planten uitbloeiden? Het begrip ‘herfst’ had geen betekenis meer.
Voor het overige legpuzzelden we en legden bezoekjes af. Ook swifferen en afstoffen ging nog wel, maar helaas begon dat vaak al om zes uur ’s ochtends. Liefst met het plankje boven mijn hoofd in het bed waarin we sliepen.
Toch maakten we toen nog bijna dagelijks wandelingen van zo’n 5.000 stappen waarin we genoten van de natuur. En ik van Hanneke leerde om veel beter om me heen te kijken naar bloemen en struiken, boomstammen, paddestoelen en ga zo maar door.

Eind 2023 kregen we een ‘indicatiestelling’ voor een groot deel gebaseerd op mijn maandelijkse verslagen aan de case-manager. Een verklaring van het CAK dat Hanneke zover ‘gevorderd’ was in haar dementie dat ’24-uurs intensieve dementieverpleging’ nodig was, voorwaarde om in een verpleeghuis opgenomen te worden. De case-manager verzekerde dat het nu nog één à twee jaar ging duren voordat opname mogelijk zou zijn, in verband met de lange wachtlijsten.
Door de indicatiestelling kon wel direct meer hulp geregeld worden. Die kreeg ik al van (klein)kinderen en enkele vrienden, maar dat was niet genoeg. Via de case-manager werd van alles geregeld: buddies, hulp in de huishouding, transport, dagbesteding enz. Dochter Barbara, zoon Michaël, kleinkinderen Leander, Pip en Arthur leverden allen een aanzienlijke bijdrage met koken, dagbesteding etc. zodat ik geregeld even ‘vrij’ was.
Maar hoeveel hulp er ook kwam, ik kreeg steeds meer het gevoel het niet meer aan te kunnen. Vooral het drie of vier keer nachtelijk opstaan van Hanneke, zich aankleden en beginnen met afstoffen brak me op. Het lukte wel om haar steeds weer in bed en aan het slapen te krijgen, maar zelf viel ik maar moeilijk in slaap. Die nachten van 4 à 5 uur slaap braken me op.

Hoe nu verder? (4)

We kregen een ‘case-manager’ die ondersteuning kon bieden en regelen bij de (mantel)zorg. Zij hielp direct in het eerste gesprek door te adviseren een ‘levenstestament’ op te stellen, voor het geval Hanneke niet meer in staat zou zijn over financiën, gezondheid en andere zaken te oordelen en te handelen. Dat was toen al grotendeels het geval.
Voor dat advies ben ik dankbaar, het levenscontract (dat we nog net op tijd bij de notaris konden laten opstellen) heeft ervoor gezorgd dat ik nu gemachtigd ben om Hanneke’s zaken te regelen. Zoals het aanvragen van een pgb, waar ik overigens een griezelverhaal over zou kunnen schrijven (en niet doe). De afspraak was dat de case-manager maandelijks bij ons zou langskomen.

Maar zo eenvoudig bleek dat niet. Hannekes gebrek aan ziekte-inzicht leverde bij het eerste gesprek een hevige crisis op. Wat kwam ‘dat wijf’ (taalgebruik dat ik van Hanneke niet kende) hier doen? Uitleggen hielp niet. Alzheimer? Dat was allemaal kletskoek, dat hadden ‘wij’ (de kinderen en ik) allemaal ‘achter haar rug om’ geregeld. Ze wilde de case-manager niet meer zien, zoveel werd duidelijk.
Op haar voorstel zou de case-manager de volgende keer ‘op de bonnefooi’ komen als ik er niet was (ik lag zogenaamd te slapen op het afgesproken moment). Maar ook dat ging niet. Hanneke werd razend en werkte de verbijsterde dame binnen korte tijd het huis uit. Toen is maar afgesproken dat ik maandelijks een verslag zou sturen en op kantoor langskomen. 

Uit het eerste van die verslagen.

maart 2023

“Hanneke gaat achteruit, net als de maanden ervoor. Ze ziet me aan voor haar broer en weet niet meer dat we getrouwd zijn. Door naar onze trouwfoto’s te kijken, kwam weer het besef van Alzheimer boven met de nodige toestanden (verdriet, slaapprobleem, woede). Na een paar dagen ging het wel weer, maar toen was ze het huwelijk weer vergeten. En zo tobben we door, van de ene crisis naar de andere. Tussendoor ook nog goede dingen zoals wandelen, puzzelen, bezoek van en aan vrienden en familie.

Vooral voor mij is het zwaar. Af en toe ben ik ten einde raad. Veel met vrienden en familie hierover gepraat en daarna zijn er gelukkig afspraken gemaakt om ‘op Hanneke te passen’ zodat ik even weg kan uit dit verpleeghuisje met 24/7 service door één mantelzorger, de zwaarste baan die ik ooit heb gehad.”

Hoe nu verder? (3)

Vanaf de eerste signalen van haar ziekte duurde het nog een paar jaar voordat – na onderzoek en testen – definitief werd vastgesteld dat het om de ziekte van Alzheimer ging. Dat werd gedaan door een arts/geriater bij PsyQ, een grote psychiatrische instelling in Den Haag. Hanneke en ik woonden ‘gewoon’ thuis. Steeds meer werd duidelijk dat ze veel vergat, en grotendeels niet meer in staat was zelfstandig te functioneren. Afgezien van een aantal taken en bezigheden in en om huis, had ze dag en nacht steeds meer begeleiding nodig.Dat was flink wennen, te meer omdat Hanneke – zoals dat heet – geen ziekte-inzicht had, zich absoluut niet ziek voelde en ook niets wilde horen over de ziekte van Alzheimer die ze ‘immers helemaal niet had’. Wat tot heftige crises leidde, omdat ik daar nog helemaal niet mee kon omgaan. Ik heb hier eerder over geschreven op dit blog.

Toch mocht ik me gelukkig prijzen volgens de geriater die de diagnose had gesteld, omdat Hanneke een zachtaardig en zorgzaam karakter had. Andere Alzheimer patiënten konden kwaadaardiger en agressiever worden of andere nare karakterveranderingen krijgen. Dat leek hem bij Hanneke onwaarschijnlijk.
Dat ik me ‘gelukkig’ mocht prijzen ging er op dat moment niet in. Ik was woedend.Ook met onze huisarts had ik in het begin contact. Bij haar kon ik af en toe mijn verhaal kwijt en ze gaf me aandacht en goede raad. Op een dag zei ze: “Je gaat een periode tegemoet, waarin je nog veel moet leren.” Woedend was ik daarover. Ik, nu nog leren? Op m’n 75ste?

Bij een cursus ‘mantelzorgen voor Alzheimerpatiënten’ die door PsyQ werd gegeven,  maakte ik kort daarna kennis met acht ‘collega’ mantelzorgers. Toen werd duidelijk waarom ik me gelukkig mocht prijzen. Schrikbarend waren sommige verhalen over het (wan)gedrag van andere Alzheimerpatiënten. Het was goed om die cursus te volgen. In korte tijd leerde ik veel over Alzheimer en hoe je met die patiënten kon omgaan om ze zoveel mogelijk een aangenaam leven te bieden en te helpen om zoveel mogelijk zelfvertrouwen te behouden. En dat ik ‘nog veel moest leren’, wat de huisarts zei? Nu, een paar jaar later, weet ik hoe ontzettend gelijk zij had. 

Hoe nu verder? (2)

Het is nu vijf jaar geleden dat duidelijk werd dat er iets ernstigs met Hanneke aan de hand was. Dat bleek het eerst toen ze niet meer kon internetbankieren. Serieuze pogingen om haar te helpen liepen op niets uit. Ik werd boos en gefrustreerd en vroeg twee goede vrienden het te proberen. Ook dat lukte niet.

De vrede werd uiteindelijk gesloten toen ik voorstelde voortaan haar bankzaken te doen. Daarna ging ze steeds minder achter haar laptop zitten om te mailen en te schrijven, wat ze tientallen jaren dagelijks vele uren had gedaan. Er waren in die tijd twee personen die zeiden dat dit het begin van Alzheimer zou kunnen zijn. Echt tot me laten doordringen liet ik dat niet.

Nu kan ik  – zonder te overdrijven – zeggen dat de vijf afgelopen jaren de zwaarste en uitdagendste periode van mijn leven zijn geweest. Trouwen, kinderen krijgen en opvoeden was ook een hele toer, maar valt toch in het niet bij de verzorging van mijn geliefde die Alzheimer heeft. Vaak heb ik verzucht dat – als ik de energie zou hebben – hierover een aangrijpend en interessant boek te schijven was. Maar die energie had ik bij lange na niet. Na meer dan vier jaar samen in één huis was ik volkomen uitgeput en zou er waarschijnlijk aan onderdoor zijn gegaan, als ik niet enorm gesteund was door familie en vrienden. Nu woont Hanneke een half jaar in het beste verpleeghuis dat we konden vinden en kom ik weer een beetje tot mezelf.

Hanneke en ik hadden een spannend leven de afgelopen 51 jaar. Ook daarover zou een boek te schrijven zijn. Met als trefwoorden: onze jeugd, anti-autoritaire kresj, scheidingen, communes, werken bij organisaties op het gebied van seksualiteit, milieu, hergebruik, verslaving, therapie, spaarzaamheid, klimaat en groen. Maar ook dat boek zit er – wat mij betreft – niet in.

Toch wil ik weer schrijven. Nu pas echt tot me is doorgedrongen dat ik maar een beperkt aantal jaren te leven heb. En ook maar een paar jaar met Hanneke. Het klinkt allemaal dramatisch, maar het is gewoon zo! Overdrijven doen wij Van Eedens niet, zoals mijn zus eens zei, exagereren, dát wel.