Hanneke’s levensverhaal (2)

Van 0 tot 10 jaar, jonge jaren in Den Helder

Johanna Hendrika (Hanneke) van Veen werd in Den Helder geboren op 6 september 1943, een niet geplande geboorte in de moeilijke oorlogsjaren. Vader was bloemist/hovenier, moeder onderwijzeres en er waren twee oudere zusjes, beiden voor de oorlog geboren.
Een klein jaar na haar geboorte werd het gezin – door de hevige bombardementen (van de geallieerden) op de Duitse stellingen in Den Helder geëvacueerd naar twee adressen. Marieke van negen en Ineke van zes gingen naar een gezin in de omgeving van Hoorn, Hannie, zoals ze toen nog heette, met haar ouders naar een boerengezin op Wieringen. Het waren streng gelovige, ongastvrije mensen, die met tegenzin hadden moeten instemmen met de evacuatie. Ze duldden geen geluidsoverlast of beschadiging van meubilair of wat dan ook. Hannie huilde veel en werd daarom vaak in de kinderwagen in de koeienstal gezet.
Het was hongerwinter. Soms ging moeder met Hanneke in de kinderwagen stiekem wat extra’s halen in een gaarkeuken. Dat mocht het gastgezin niet merken, helemaal niet op zondag.

In 1945 verhuisden ze terug naar hun woning/winkel aan Van Galenstraat in Den Helder. Daar viel Hanneke uit haar bedje en kreeg een lelijke wond op haar voorhoofd door een gebroken lampetkan. Haar vader moest laat in de avond naar een dokter lopen. Het lidteken is nog steeds te zien.
Een jaar later werd Henkie (nu Dimitri) geboren en was het gezin compleet. Hun bestaan was vrij karig, de bloemenzaak en het hovenierswerk liepen niet goed. Ook was het inkomen van moeder laag. Als getrouwde vrouw kreeg ze geen vaste aanstelling, maar werd invalkracht, vaak op scholen in achterstandswijken: zwaar werk met grote klassen. Toch moest ze blijven werken, omdat van het inkomen van haar man niet te leven was.
Later, toen vader Lydius actief werd in de linkse pacifistische politiek, was dat niet bepaald bevordelijk voor de winkelomzet en tuinwerk in deze marinestad. Het was geen armoede, maar breed hadden ze het niet. Vakantie was hooguit logeren bij familie of in hun huis als die zelf op vakantie waren.

Op de lagere school was Hanneke een brave leerling, soms het lievelingetje van de meester. Af en toe spijbelde ze, vooral omdat ze ze graag buiten was, op de dijk bij het water of in de natuur. 
Al tijdens de lagere school begon Hanneke voor het gezin te ‘zorgen’. Ze zag hoe zwaar haar moeder het had, hoe moe ze vaak was en hoe weinig haar vader bijdroeg aan de huishouding. Vroeg in de ochtend, voordat iedereen op was, ging ze naar de woonkamer om de tafel te dekken. Ook deed ze in haar eentje de afwas en ruimde vaak op als het een rommeltje was in de kamer en er bezoek verwacht werd.

Vader Lydius had het minder ver geschopt dan zijn broers en vader en had zich altijd miskend gevoeld met zijn landbouw-opleiding. Hij was ook wel een boertig type, niet zoals zijn broer en grootvader die het als dominees ver schopten. Er was daardoor weinig contact met zijn ouderlijke familie. Dieptepunt was toen Lydius niet uitgenodigd werd voor de bruiloft van zijn oudste broer. Hij zou niet in dat gezelschap passen, vond het aanstaande bruidspaar.
Ook in zijn eigen gezin was hij niet erg populair. Met walging keken moeder en drie dochters naar hem als hij weer eens een visje bakte voor zichzelf en het met vette handen opat. Redelijk traumatisch voor Hanneke was toen hij een keer een gevangen levende muis in de kolenkachel gooide.

Hij had tijdens zijn opleiding gewerkt op Paleis het Loo en o.a. daaraan een grote haat voor de monarchie overgehouden. Op Koninginnedag mochten z’n kinderen van hem niet meedoen met de feestelijkheden. Moeder kleedde de meisjes dan aan met een oranje strik in het haar en sluisde ze stiekem via de achterdeur naar buiten om toch naar de optocht te kunnen kijken.
Ook was Lydius sterk anti-militaristisch. Als er een straaljager overvloog was zijn standaard-opmerking: “Daar gaat weer honderdduizend gulden naar de bliksem!” Later veranderde hij van kerkgenootschap, van Hervormd naar Doopsgezind. Zijn vrouw volgde hem, de kinderen niet. 

Hanneke’s levensverhaal (1)

Inleiding

In augustus 2024, woonde mijn lieve Hanneke (met Alzheimer) vier maanden in de Herbergier. Hierover heb ik op dit blog uitgebreid geschreven. Zie Hoe nu verder? (1-16).
In die tijd hoorde ik een radiouitzending (NPO, Wat blijft) waar dichter Sytse Jansma een bundel besprak waarin hij zijn vroeg gestorven grote liefde in gedichten herdacht. De volgende ochtend werd ik wakker en dacht: dat wil ik ook! Maar geen gedichten, daar waag ik me niet aan, wel het levensverhaal over (vooral) het arbeidzame leven van Hanneke.

Niet alleen is zij de liefde van mijn leven, waarmee ik nu al meer dan vijftig jaar een intense verhouding heb. Ze is een bijzondere vrouw die veel gedaan en betekend heeft voor allerlei mensen en problemen: haar familie, ex-verslaafden, psychiatrische patiënten, het milieu, de natuur en niet in de laatste plaats mijn persoontje.
Als ik zie wie er allemaal lintjes krijgen, dan denk ik: Hanneke verdient er zeker ook één. Maar ik weet dat ze dat geweigerd zou hebben (net als ik). Daarom volgt hier een korte biografie die belicht wie ze was en wat ze allemaal voor elkaar heeft gekregen.

De therapeute die me de afgelopen maanden geholpen heeft overeind te blijven spreekt over ‘blijvende rouw bij levend verlies’. En dat is hevige rouw die ik bij tijd en wijle in m’n hele lichaam voel. Ik ben mijn gesprekspartner kwijt. Pas toen ik me dat realiseerde begreep ik dat een voortdurend goed gesprek voor mij misschien wel het belangrijkste en fijnste van onze verhouding was.

Hanneke en ik zijn nu meer dan 50 jaar samen. Zonder overdrijven kan ik zeggen dat ze me ‘gered’ heeft. Toen we elkaar leerden kennen was ik een stuurloze man van 27 die niet goed wist wat hij met het leven aan moest, die niet met geld kon omgaan, die zich nauwelijks bewust was van de grote invloed van een trauma, tien jaar daarvoor, waarover elders al uitgebreid is geschreven.
Ik had ook een spontane, warme en ondernemende kant; daar viel Hanneke op. Maar ze nam mij toch onder haar hoede. Veel meer dan vroeger realiseer ik me wat een fantastisch mens ze was, hoe zij haar (en mijn) problemen en tegenslagen aanpakte. Hoe ze in het leven stond, hoe ze mij, maar ook anderen hielp waar nodig.

In de familie van Hanneke komt Doris Rijkers (een oom van haar moeder) voor, een van de bekendste mensenredders uit de Nederlandse geschiedenis, die in de jaren twintig met een roeiboot vanuit Den Helder stormzeeën op ging om (bij elkaar zo’n 250) schepelingen in nood uit het water te vissen.
Schertsend zei ik wel eens dat ze dat mensen redden misschien wel van Doris Rijkers had geërfd. Of het genetisch bepaald is, weet ik niet, maar Hanneke was een – op haar manier – mensenredder. Daarom dit levensverhaal, waarmee ik vier m’n leven met haar te hebben gedeeld. En zal blijven delen, tot het bittere eind.

Hoe nu verder? (16)


Hier sluit ik het verhaal af. Hanneke blijft in de Herbergier wonen, waar familie en vrienden haar bezoeken. Ook de laatste dagen zie ik haar achteruitgang, niet meer weten waar de wc is, hoe de veiligheidsriem in de auto werkt, een lichtknopje niet meer vinden, mij niet meer echt herkennen. Zo zal het doorgaan tot het bittere eind. Dat is Alzheimer.

Daarover een verslag schrijven? Dat wil ik niet, zo is het wel genoeg. Wel wil ik verder gaan met het schrijven aan Hanneke’s biografie, vooral over al het werk dat ze gedurende haar leven heeft gedaan.

Toen Hanneke nog ‘goed’ was, vroeg ze zich vaak af of ze niet meer had kunnen/moeten doen, meer had kunnen bijdragen. Mijn verzekeringen dat ik in mijn 25 jarige praktijk als loopbaanbegeleider zelden iemand met zo’n imposant CV was tegengekomen, hielpen niet echt. Ook niet dat ze een eigen Wikipediapagina heeft.

Haar dat nu – met wat voor schrijfsel dan ook – duidelijk maken kan niet meer, maar anderen hoop ik wel te laten zien wat voor werk ze allemaal heeft gedaan en wat voor bijzonder persoon ze is geweest.

Hoe nu verder? (15)

En daar ging ik dan naar de Herbergier, zenuwachting over wat er zou gaan gebeuren. De ‘wittebroodsweken’ bleken achteraf een hernieuwd afscheid te zijn geweest, net als toen Hanneke werd opgenomen.

In m’n eentje ging ik naar de kamer van Hanneke, terwijl zij nog in de woonkamer beneden was. Eerst maar gauw het tweepersoonsbed opheffen. Dat ging makkelijk met het onderschuifbed, maar terwijl ik daarmee bezig was, kwam Hanneke de kamer binnen.
Toen maar gelijk de koe bij de horens gepakt en proberen uit te leggen dat ik niet meer ‘mocht’ slapen in haar kamer. Dat had de dokter gezegd en Claudia, de directrice van de Herbergier. Door hier te slapen, zei ik, kom ik zoveel slaap te kort, dat ik er heel moe en een beetje ziek van wordt.
Zo’n beetje, met die woorden probeerde ik haar te vertellen dat ik liever ook iets anders had, maar dat het niet anders kon.

Hanneke reageerde nauwelijks op m’n verhaal, wel vond ze het erg dat ik ziek was. Of het toen echt tot haar doordrong weet ik niet. We zijn daarna overgegaan op de orde van de dag, puzzelen, koffie drinken en knuffelen. Ook de dagen erna (het is nu vijf dagen geleden) leek het er op dat Hanneke geen of nauwelijks herinnering had aan de periode van een maand dat ik bij haar ‘gewoond’ had. Wel zei ze af en toe dat we niet meer samen mochten slapen, en dat ze dat jammer vond, maar verder geen woord.
Alles ging daarna weer zoals de maanden ervoor. Meer verdriet bij het afscheid nemen, niet goed begrijpen wanneer ik weer zou komen.

Heb ik spijt van m’n besluit om bij Hanneke te gaan wonen? Nee. Even in het begin had ik de illusie helemaal bij Hanneke in te trekken en samen te blijven. Maar al snel merkte ik dat Hanneke er erger aan toe was, dan ik dacht toen ik ‘alleen’ maar bij haar op bezoek kwam. Ook met mij verbloemde ze, zoals dat bij dementie-patiënten veel voorkomt.
Door de maand bij Hanneke te wonen ben ik er achter gekomen dat ze na vijf jaar al ver gevorderd is in haar ziekteproces en dat ik niet in staat ben haar continu te verzorgen. Dat kunnen ze in de Herbergier wel, met bezoek en hand-en-spandiensten van mijn kant.

We hadden daarna een aangename Kerstviering op de 23ste in de Herbergier met een smakelijk viergangen-menu, ook voor vegetariërs, pianospel en dansen. Vanavond vieren we met (bijna ) de hele familie Kerst bij onze kleindochter Leander, die samen met haar man heel lekker kan koken. Dat wordt smullen, kletsen en dansen, ook met Hanneke.

Hoe nu verder? (14)

Ik kan niet anders zeggen zeggen dan dat ik de afgelopen maand als een soort ‘wittebroodsweken’ heb ervaren, heel dicht bij elkaar en maar tortelen. Inmiddels deed ik de adl van Hanneke (algemene dagelijkse levensverrichtingen): wassen, aan- en uitkleden, helpen gedurende de nacht bij verward opstaan en weer naar bed krijgen, helpen haar kamer en kasten op orde te houden etc. etc. Zwaar werk dat ik toch wel aankon. De leiding meldde dat het Hanneke duidelijk beter ging, rustiger en gelukkiger. Maar ook dat het jammer was dat ze minder tijd gaf aan enkele leuke relaties die ze inmiddels in huis had opgedaan. Ik had me dat niet gerealiseerd maar zag het opeens ook duidelijk. Mijn aanwezigheid remde haar integratie in de Herbergier.

Inmiddels had ik door de ‘verhuizing’ wat meer tijd om iets voor mezelf te doen overdag, waarvan dit blog er één is. Maar uiteindelijk braken de nachten me op, net als voor haar opname. De laatste drie nachten dat ik er sliep waren rampzalig, zes-zeven keer wakker worden, steeds willen aankleden, weer in bed zien te krijgen, terwijl ze bozig en verward was. De laatste nacht sliep ik nauwelijks en lag enorm te piekeren, terwijl Hanneke alweer in slaap was gevallen.

Tot mijn grote spijt ben ik tot de conclusie gekomen het niet meer aan te kunnen. Mijn bloeddruk stijgt, jarenlang sluimerende eczeem op armen en benen speelt erg op en geeft pijnlijke brandende gevoelens. Net bij de huisarts geweest die zegt: je MOET rust nemen. Jouw gezondheidssituatie (hoge bloeddruk, herseninfarct, darmontsteking en alle medicatie van dien) vergt een goede ononderbroken nachtrust en nog een uur slapen overdag. En daar vertrok ik met loden schoenen en schaamte naar de Herbergier om Hanneke dit te vertellen. Ik kan er echt geen nacht meer langer slapen. Hoe zal ze reageren?

Hoe nu verder? (13)

Hoe dan ook, nu Hanneke bijna een half jaar in de Herbergier woonde, kon het wel. De leiding en mijn therapeute waren het erover eens: Probeer het maar, jullie zijn zo aan elkaar verknocht, maar houd je oude huis aan, je weet maar nooit.
Dus, daar ging ik, half november 2024, en trok – min of meer – bij Hanneke in. Ruimte genoeg in haar appartement van ruim 60 m2. Er was al een onderschuifbed en met wat persoonlijke spulletjes begon het samenwoon-avontuur.

Al vanaf het begin werd me duidelijk hoe Hanneke er werkelijk aan toe was. Tot dat moment was ik steeds, net als de anderen, een bezoeker geweest. Nu woonde ik er en merkte hoe gebrekkig ze nog maar communiceerde met haar medebewoners en verzorgers. Allerlei activiteiten samen ging prima, dansen, planten verzorgen, sjoelen, wandelen, maar een echt gesprek was nauwelijks meer mogelijk. En daar was Hanneke geregeld verdrietig over, dat ze niet meer goed kon praten, dat ze niet meer kon bellen, niet meer alleen weggaan uit ‘die gevangenis’. “Ik ben onzichtbaar,” zei ze vaak en erger nog; “Ik schaam me dat ik leef.”
Gelukkig kon ik haar nu steeds troosten en afleiden, meer dan toen ik alleen maar op bezoek kwam. Al met al ging het met Hanneke beter sinds ik bij haar woonde was ze rustiger en opgewekter.

En als we een paar uur samen waren, op de bank, naar mooie klassieke muziek luisterend, pratend en knuffelend voelden we ons allebei gelukkig. Als je had kunnen horen en zien hoe het toen met ons ging, was het eigenlijk één grote liefdesverklaring. Ook het samen slapen ging goed. Nog steeds snap ik niet hoe haar slaap ‘gereset’ was in de Herbergier, maar we sliepen acht of meer uur op per nacht, met maar twee keer wc-bezoek. Wel kostte het in de ochtenden een half uur of meer voordat Hanneke weer ‘op aarde’ was, maar daar kon ik goed bij helpen, zo tussen zes en acht uur.
Wat ook veranderd was: het afscheid nemen. Na een bezoek was dat vaak pijnlijk voor Hanneke en kostte het moeite om duidelijk te maken dat ik weer gauw terug zou komen. Nu we samenwoonden, kon ik gewoon zeggen dat ik even wegging, boodschappen doen of een klus in het oude huis, en werd ik vriendelijk uitgewuifd. Ik was niet meer op bezoek, maar ging even weg

Hoe nu verder? (12)

Langzaam maar zeker begon door te dringen dat ik de hoofdverantwoordelijke ben (en zal blijven) voor de verzorging van Hanneke. Ik kon wel een hoop uitbesteden, maar voor het geheel bleef ik verantwoordelijk.
Hoe bracht ze haar dagen en nachten eigenlijk door en voelde ze zich daarbij? Door Zilliz (berichtenservice aan familie van patiënten) kreeg ik dagelijks driemaal ‘verslag’ van Hanneke’s bezigheden, stemming, eetgedrag etc. Maar waren er echt ‘geen bijzonderheden’ als het bericht daaruit bestond, zoals vaak?

Wat me al snel duidelijk was, dat de vroege ochtenden meestal naar voor haar waren. Hanneke is meestal rond 6 uur wakker en er helpt dan iemand bij wassen, tandenpoetsen en aankleden. Maar pas om 8 uur is het ontbijt in de ‘woonkamer’. Die twee uur weet ze niet goed wat te doen, maakt de hele kamer schoon met haar stoffer en blik, ruimt op en verzorgt haar planten en boeketten. Toch is ze een groot deel van die tijd verdrietig en zo tref ik haar tegen 10 uur aan.

Overdag zijn de dagen eigenlijk redelijk gevuld met bezoek, dagactiviteiten en maaltijden. De avonden zijn vaak ook problematisch, geen bezoek, soms wel iets in de woonkamer, maar meestal voelt ze zich eenzaam en verdrietig.
Slapen, daarna, om een uur of 9-10, gaat wel goed. Hoe ze dat ik de Herbergier hebben voor elkaar gekregen, snap ik niet. Ze hadden haar slaap ‘gereset’ (zonder medicatie).

Dus: de vroege ochtenden en avonden zijn voor Hanneke vaak niet voldoende ‘verzorgd’. Want dat is het gekke bij haar dementie. Bij de meeste ziekten is er een ‘behandeling’, medicatie en allerlei therapie. Maar wat is nu eigenlijk het ‘medicijn’ dat Hanneke nodig heeft om zich zo goed mogelijk te voelen? Dat is: persoonlijke aandacht. Door haar ziekte heeft Hanneke nauwelijks nog eigen initiatief. Wel af en toe met haar planten, maar verder niet veel. Haar gebrek aan ziekte-inzicht helpt daarbij natuurlijk ook niet.
Conclusie: hoe pakken we die ochtenden en avonden aan?

Toen me dat duidelijk werd, kreeg ik een ‘briljant’ idee. Ik moest bij haar gaan wonen. Ik schrok er zelf van. Bij je partner wonen in een verpleeghuis? Een revolutionair idee? Gelukkig hebben we nu Gemini, de AI van Google. Die vertelde al snel dat dit allang bestaat. Niet in de reguliere verpleeghuizen, daar doen ze het niet. Maar wel in particuliere instellingen, zoals de Herbergier. Ik had dat bij de kennismaking ook gevraagd, maar het werd afgeraden, zeker de eerste maanden. De nieuwe bewoner moet eerst kunnen wennen aan haar nieuwe situatie.

Hoe nu verder? (11)

Toen ik – na het douche-avontuur- thuis e.e.a. zat te overdenken, drong door dat ik nu een betere taakomschrijving had dan dagelijks bij Hanneke langsgaan en iets leuks doen. Mijn taak is nu om, samen met de Herbergier, dagelijks een leuk programma voor haar te verzorgen. Regelen dat ze overdag iets aardigs te doen heeft of meemaakt. Over de nachten en maaltijden hoef ik me geen zorgen te maken.
En voor overdag heeft de Herbergier gelukkig veel waaraan Hanneke graag meedoet. Maar echt een aaneengesloten programma kunnen ze natuurlijk niet bieden. De gaten in het dagprogramma vul ik op. Het zal niet altijd lukken meer meestal wel.

Het lijkt misschien wat onbenullig wat ik schrijf. Maar m’n nieuwe ‘taakomschrijving’ betekent veel. Omdat het onze jarenlange relatie bevestigt. De eerste jaren van onze relatie heb ik Hanneke tientallen malen ten huwelijk gevraagd, maar steeds was haar reactie: “Ik ben al getrouwd geweest, één keer was wel genoeg.” Het heeft me heel wat jaren met therapie, boeken lezen en er met een vriend over praten gekost, voor ik erachter was, wat ze daar nou eigenlijk mee bedoelde: ik moest me als een ‘goede man’ gaan gedragen en dat deed ik toen nog niet (helemaal).
De zin die Hanneke uiteindelijk over de streep trok was toen ik zei: ik zal altijd voor je zorgen, wat er ook gebeurt, tot de dood ons scheidt. Geen ‘bully’ meer en geen ‘whimp’, zoals mijn toenmalige therapeut zei, maar een echte man, zelfstandig, sterk en vooral zorgzaam. 

Vijfendertig jaar na onze huwelijkssluiting (met een bomenfeest) voel ik me nu weer 100% verantwoordelijk voor de verzorging die ze – door die afschuwelijke ziekte – dagelijks nodig heeft. Hanneke is de oude Hanneke niet meer, maar ik houd van de nieuwe en doe dagelijks mijn best haar leven zo aangenaam mogelijk te maken en haar zo veel mogelijk zelfvertrouwen te geven.
Toen Hanneke opgenomen werd heb ik een kort tijdje gedacht dat ik er nu ‘vanaf’ was. Maar dat bleek al snel helemaal niet zo, ook omdat ik haar – wie ze ook geworden was – vaak gewoon miste. Samen op de bank zitten, hand in hand, knuffelen, samen wandelen en bloemen plukken, samen puzzelen en met familie en vrienden zijn. Daar wordt niet alleen zij, maar ik ook gelukkiger van.
Er is weer continuïteit in onze relatie, voortgang!

Is dit een kreet van wanhoop? Probeer ik mezelf te overtuigen dat ‘alles’ goed gaat? Tegelijkertijd komt wat ik doe onbenullig over, het heeft allemaal zo weinig zin. Ondanks alle mooie gepraat voel ik me soms hopeloos. Oud en onzeker. Ziek.
Ik teer op mijn oude kracht, m’n improvisatievermogen, maar wankel eigenlijk door het leven. Ondanks alle mooie praatjes, die wel kloppen, maar toch niet vertellen wat er met mij aan de hand is. Ik overschreeuw mezelf. Al die gedachten, ik word er niet gek van, maar wanneer houdt het op? 

Hoe nu verder? (10)

Een goede vriendin (83), komt geregeld bij me langs. Laatst zei ze: “Ik heb een baan.” Ik viel stijl achterover. Ze is een sterke, vitale vrouw, maar toch. Hoe heb je dat nou voor elkaar gekregen? vroeg ik. “Nou, eigenlijk zat ik me nogal vaak te vervelen sinds mijn man vorig jaar overleed. Toen heb ik gebeld met mijn oude werk, een taal-opleiding en ze wilden me direct hebben. Ik geef nu half-time les en het bevalt prima.” 83!!!

Naderhand zat ik hierover na te denken, een half time baan? Eigenlijk heb ik die ook.  Ik ga – sinds Hanneke’s opname in de Herbergier bijna elke dag naar haar toe. Elke dag ongeveer twee uur x zeven is bijna een halve baan. Zeker als je optelt wat ik verder nog doe: lippenstift/inlegkruisjes kopen, legpuzzels, koffie en koekjes, paspoort vernieuwen etc. etc.
Het gekke is dat dat besef van een ‘baan’ me geholpen heeft. En dat ik dat ‘werk’ af en toe niet leuk vind? Nou, toen ik banen had ging ik ook soms met tegenzin, maar ziek melden was er maar zelden bij. Gek genoeg voelde dat besef als een stap vooruit en gaf het me meer voldoening dan ‘elke dag naar Hanneke gaan’. Maar daar bleef het niet bij.

Al eigenlijk sinds Hanneke is opgenomen, heeft ze grote moeite met gedoucht worden. Ze was daar nooit een grote fan van, hield meer van ‘kattenwasjes’. Dat douchen moet in de Herbergier minstens eenmaal per week, maar het levert haar meestal meer dan een dag ellende en verdriet op. Ze ervaart dat douchen als aanranding of erger nog. Het zijn waarschijnlijk wanen, ze denkt dat ze in een zwart gat wordt gegooid, zegt dat ze allemaal blauwe plekken heeft etc. Ik kan haar meestal wel – na een uur huilen en klagen – rustig krijgen, maar de volgende dag begon het weer.

Ergens half november 2024 lukte het de staf helemaal niet meer haar onder de douche te krijgen. Ze was begonnen te dreigen en vechten en wilde de politie bellen. Ik heb toen voorgesteld dat ik het een keer zou proberen. Ook thuis was het al moeizaam, maar met een mix van strengheid en liefde lukte het toen altijd wel zo’n beetje.
Nou, daar stond ik dan, maandagochtend om 8:15 u. Ik zei dat we samen lekker zouden gaan douchen, allebei helemaal bloot en dat ik haar heel lief en zacht zou gaan wassen, ook haar haar, het ergste! En dat ze niet bang hoefde zijn, dat ik geen pijn zou doen.

En … het ging fantastisch, ook voor mij. Daar stonden we met onze oude lijven dicht tegen elkaar en daarna onder de douche, rustig en voorzichtig als ze het eng of pijnlijk vond. De tranen springen in m’n ogen nu ik dit schrijf, het was gewoon fijn. Afgedroogd, geföhnd, aangekleed en daarna samen ontbeten.
In de app die driemaal daags vertelt hoe het haar vergaat, las ik: “Mw is gedoucht met dank aan Rob! Mw is positief gestemd gehele dag.”

Nu doen we het elke maandag.

Hoe nu verder? (9)

Hanneke wende snel in de Herbergier, kreeg veel bezoek en sloot vriendschap met enkele bewoners. Bij enkele begeleiders, haar dochter en vooral bij mij uitte ze verdriet en woede over haar nieuwe situatie. Die ze nog steeds niet snapte. Waarom was ze hier? En wat er met haar aan de hand was? Proberen uit te leggen hielp niet. Bijna elke keer als ik haar bezocht begon het met haar beklag en huilen. En waarom ik al maanden niet was langsgekomen? Terwijl ik bijna dagelijks op bezoek kwam. 

Maar ook dat went. Ik was en bleef ‘die klootzak’ die nooit langskwam en haar hier had ‘opgesloten’. Meestal aan het begin van het bezoek duurde dat een halfuurtje. Daarna werd het aangenaam en puzzelden we, gingen wandelingen maken en bezoekjes afleggen. En … ergens patat eten, want dat was inmiddels haar favoriete voedsel.

Wel merkte ik haar gestage achteruitgang. Jarenlang, ook de eerste van haar dementie hadden we dagelijks gemiddeld vijfduizend stappen gelopen (ongeveer vier km). Na een paar maanden in de Herbergier kwamen we niet verder dan drieduizend. Ook haar afasie, steeds slechter formuleren, maakte het voor bezoekers moeilijker om een normaal gesprek te voeren. Ik had (en heb) het daar minder moeilijk mee. Meestal begrijp ik na een paar woorden waarover ze iets wil zeggen. Ik ken haar uiteindelijk al meer dan vijftig jaar.
En leerde ik (vaak met moeite) dat het geen zin heeft om te argumenteren of verbeteren. Eén van de boeken die ik over dementie las (Het hart wordt niet dement) hielp me om niet alleen op de inhoud van haar gestamel te antwoorden, maar vooral op de gevoelens die ‘eronder’ zaten.

Een andere les die ik leerde van de leiding van de Herbergier was: VRAGEN IS PLAGEN. Je ontkomt er niet aan in een ‘normaal’ gesprek, maar bij mensen die dementie hebben is het echt beter zo min mogelijk vragen te stellen. Bijna alle vragen die aan haar gesteld worden, confronteren haar met haar ‘domheid’, zoals ze het noemt. Als je het grootste deel van je geheugen kwijt bent, weet je echt niet meer wat je ‘vanochtend’ gedaan hebt of hoe je geslapen hebt.

Maar ook ‘ontstond’ langzamerhand een nieuwe vrouw. Een lieve, aanhankelijke vrouw, die met aandacht en veel emotie kan genieten van muziek, klassiek en modern, variërend van Bach tot André Rieux. Een vrouw die dol is op dansen, in de woonkamer met anderen of met ons op haar kamer. Een vrouw die me leert in de natuur op het kleine te letten. Of het nu bloempjes zijn of mos op boomstammen, paddestoelen of besjes. En die daar heel mooie boeketjes van maakt. En een vrouw met wie ik op de bank kan zitten knuffelen. We worden niet voor niets de ‘tortelduifjes’ genoemd.